Eigenwaarde door uitsluiting: hoe statusverlies kan omslaan in vijanddenken
Relatieve deprivatie en statusdreiging maken duidelijk
dat politieke radicalisering vaak ontstaat waar mensen hun positie, erkenning
of toekomstperspectief in verhouding tot anderen als bedreigd ervaren. Daarmee
komt een sociaal-psychologisch mechanisme in beeld dat centraal staat in dit
artikel: mensen ontlenen eigenwaarde niet uitsluitend aan individuele
prestaties, maar ook aan groepslidmaatschap. Wanneer het individuele zelfbeeld
kwetsbaar wordt, kan collectieve identiteit een compensatoire functie krijgen.
De eigen groep wordt dan een drager van waardigheid, betekenis en morele
bevestiging.
Deze gedachte sluit aan bij de sociale-identiteitstheorie
van Henri Tajfel en John Turner. Volgens deze theorie begrijpen mensen zichzelf
mede via groepen waartoe zij behoren of menen te behoren. Groepslidmaatschap is
niet alleen een classificatie van buitenaf, maar ook een bron van
zelfwaardering. Mensen streven naar positieve distinctiviteit: zij willen hun
eigen groep als waardevol, betekenisvol of superieur kunnen ervaren in
vergelijking met relevante andere groepen. Wanneer die positieve distinctiviteit
onder druk staat, kunnen zij geneigd zijn de grenzen tussen “wij” en “zij”
sterker te benadrukken, de eigen groep positiever te beoordelen en andere
groepen negatiever te waarderen[1].
Vanuit een relationeel-procesmatig mensbeeld is dit geen
afwijking van menselijk functioneren, maar een uitdrukking van de sociale
structuur van identiteit. Identiteit is niet louter innerlijk of individueel,
maar ontstaat binnen relaties, erkenningsprocessen, culturele
interpretatiekaders en sociale vergelijkingen. Individuen begrijpen zichzelf
mede via groepslidmaatschappen, sociale classificaties en processen van
erkenning en afbakening. Identiteit heeft daarmee niet alleen een
autobiografische, maar ook een collectieve dimensie: mensen worden mede wie zij
zijn door de groepen waarmee zij zich verbinden en door de groepen waarvan zij
zich onderscheiden.
Juist daarom is groepsidentiteit ambivalent. Zij kan
solidariteit, verantwoordelijkheid en gemeenschapsvorming ondersteunen, maar
ook uitsluiting, vijandschap en hiërarchie versterken. Groepsvorming wordt
problematisch wanneer positieve identificatie niet langer berust op gedeelde
zorg, geschiedenis of verantwoordelijkheid, maar op neerwaartse vergelijking.
Met neerwaartse vergelijking wordt hier bedoeld: het psychologische en
politieke mechanisme waarbij de eigenwaarde van de eigen groep wordt bevestigd
door andere groepen als lager, minderwaardig, bedreigend of afwijkend voor te
stellen. Wie weinig perspectief ervaart om zichzelf materieel, sociaal of
symbolisch werkelijk te verheffen, kan zich alsnog verheven voelen door anderen
te verlagen.
Dit mechanisme raakt de kern van de hypothese van dit
artikel. Migranten, moslims, vluchtelingen, lhbtiq+-personen of etnische
minderheden worden in radicaal-rechtse retoriek niet uitsluitend gepresenteerd
als beleidsproblemen. Zij functioneren ook als symbolische tegenbeelden.
Tegenover hen kan de eigen groep zichzelf construeren als normaal, fatsoenlijk,
hardwerkend, oorspronkelijk, loyaal, nuchter, moreel zuiver of cultureel
superieur. De ander hoeft in dat verhaal niet empirisch verantwoordelijk te zijn
voor de ervaren problemen. Het is voldoende dat hij symbolisch bruikbaar is als
contrastfiguur waartegen de eigen identiteit positief kan worden afgebakend.
Daarin onderscheidt neerwaartse vergelijking zich van
gewone politieke meningsvorming. In een pluralistische democratie kunnen
burgers legitiem van mening verschillen over migratiebeleid, integratie,
religieuze uitingen, gendernormen of sociale voorzieningen. Neerwaartse
vergelijking ontstaat pas wanneer deze verschillen worden ingebed in een
hiërarchisch identiteitsverhaal: “wij” zijn de echte gemeenschap, “zij” horen
er slechts voorwaardelijk bij; “wij” dragen de samenleving, “zij” profiteren
ervan; “wij” zijn normaal, “zij” zijn afwijkend; “wij” worden gecensureerd,
“zij” worden beschermd. De politieke inzet verschuift dan van beleidsafweging
naar morele ordening van menselijkheid.
De sociale-identiteitstheorie helpt verklaren waarom
dergelijke processen psychologisch aantrekkelijk kunnen zijn. Wanneer
individuele eigenwaarde of sociale status onder druk staat, kan sterke
identificatie met een collectief het zelfbeeld stabiliseren. De nationale,
culturele of etnische groep wordt dan een vergroot zelf. Kritiek op die groep
wordt ervaren als persoonlijke aanval; erkenning van andere groepen als
relatieve degradatie; pluraliteit als bedreiging van coherentie. Identiteit is een
veld van narratieve en sociale vorming: mensen worden zichzelf binnen verhalen
die zij niet volledig zelf kiezen, maar die zij wel kunnen herinterpreteren.
Wanneer dat interpretatieve vermogen verzwakt en groepsverhalen worden
gesloten, kan identiteit defensief, rigide en vijandig worden.
Hier sluit het onderzoek naar collective narcissism
nauw bij aan. Agnieszka Golec de Zavala definieert collective narcissism als de
overtuiging dat de eigen groep uitzonderlijk, groots of moreel superieur is,
maar onvoldoende erkenning krijgt van anderen. Het gaat dus niet om gezonde
groepsidentificatie, maar om een defensieve en gekrenkte vorm van groepsliefde.
De eigen groep moet voortdurend worden bevestigd, terwijl kritiek, relativering
of erkenning van andere groepen als bedreiging wordt ervaren. Juist deze
combinatie van grootsheidsclaim en ervaren miskenning maakt collective
narcissism politiek explosief[2].
Empirisch onderzoek laat zien dat collective narcissism
robuust samenhangt met vijandigheid tegenover outgroups. Mensen met hoge
collective narcissism zijn gevoeliger voor waargenomen beledigingen van de
eigen groep en reageren sterker met agressie, wantrouwen of uitsluiting
tegenover groepen die als bedreigend worden voorgesteld. In een verwante studie
wordt lage zelfwaardering gekoppeld aan outgroup derogation via collective
narcissism: een kwetsbaar individueel zelfbeeld kan dus via defensieve groepsidentificatie
leiden tot het neerhalen van andere groepen[3].
Deze bevinding ondersteunt direct de hypothese dat extreemrechtse identificatie
voor sommige kiezers een compensatoire functie kan vervullen. Niet omdat zij
simpelweg “laag zelfbeeld” hebben, maar omdat kwetsbare eigenwaarde politiek
kan worden omgezet in de behoefte aan een verheven, miskende en bedreigde
collectieve identiteit.
Deze nuance is belangrijk. Het artikel stelt niet dat
alle extreemrechtse kiezers psychologisch minderwaardig of individueel onzeker
zijn. Een dergelijke pathologisering zou wetenschappelijk onzorgvuldig en
normatief problematisch zijn. De stelling is specifieker: onder bepaalde
sociale omstandigheden kan groepsidentiteit een kanaal worden waarlangs
kwetsbare eigenwaarde, ervaren miskenning en statusverlies worden verwerkt.
Extreemrechtse politiek biedt dan een symbolische oplossing voor een reëel of
ervaren probleem van erkenning. Zij zegt tegen kiezers: uw leven is misschien
onzeker, uw positie staat misschien onder druk, maar u behoort tot de echte
gemeenschap; u staat moreel boven degenen die u bedreigen, verdringen of
minachten.
Hierin ligt de aantrekkingskracht van de taal van “het
gewone volk”. Die taal lijkt inclusief, maar is vaak exclusief gestructureerd.
Het “gewone volk” omvat niet simpelweg alle burgers zonder politieke macht,
maar wordt afgebakend tegen groepen die als onnatuurlijk, elitair, vreemd,
kosmopolitisch, religieus afwijkend of moreel verdacht worden voorgesteld.
Daardoor wordt sociale frustratie niet vertaald in brede solidariteit tussen
mensen die door dezelfde economische of institutionele structuren worden geraakt,
maar in horizontale vijandigheid tegenover groepen die lager of buiten de
morele gemeenschap worden geplaatst.
Narratieven maken individuele gevoelens begrijpelijk als
onderdeel van collectieve ervaringen: vernedering wordt “ons volk wordt
vernederd”, onzekerheid wordt “wij worden vervangen”, verlies wordt “zij nemen
af wat van ons is”. Collectieve emoties zoals angst, verontwaardiging,
solidariteit of hoop kunnen daardoor sociale mobilisatie ondersteunen. Maar
wanneer emoties als vernedering, ressentiment en existentiële dreiging worden
opgenomen in exclusieve identiteitsnarratieven, kunnen zij bijdragen aan polarisatie
en vijanddenken.
Dit verklaart waarom neerwaartse vergelijking vaak
resistent is tegen empirische correctie. Wanneer een vijandbeeld eenmaal
verbonden is met identiteit en eigenwaarde, wordt het niet eenvoudig weerlegd
door cijfers over migratie, criminaliteit, arbeidsmarktdeelname of sociale
voorzieningen. De outgroup vervult immers niet alleen een cognitieve functie
als vermeende verklaring, maar ook een affectieve functie als drager van
frustratie en een identitaire functie als contrast waartegen de eigen groep
zichzelf bevestigt. De vraag is dan niet meer: klopt het feitelijk dat “zij”
verantwoordelijk zijn? De diepere vraag is: wat gebeurt er met mijn zelfbeeld
en groepspositie als dit vijandbeeld wegvalt?
Dat mechanisme is zichtbaar in veel radicaal-rechtse
frames. De vluchteling wordt gepresenteerd als iemand die “voorrang” krijgt,
ook wanneer de oorzaken van woningnood vooral liggen in marktordening,
schaarste, ruimtelijk beleid en institutionele keuzes. De moslim wordt
voorgesteld als bedreiging voor “onze cultuur”, ook wanneer moslims in
werkelijkheid zeer diverse burgers zijn met uiteenlopende opvattingen en
posities. De lhbtiq+-persoon wordt neergezet als symbool van moreel verval of
“opgedrongen ideologie”, terwijl het in juridische zin gaat om gelijke
behandeling en bescherming tegen discriminatie. In elk geval wordt de ander
gebruikt als spiegel waarin de eigen groep zichzelf als redelijk, bedreigd of
moreel zuiver kan herkennen.
Deze vorm van identiteitsvorming is niet slechts een
psychologisch proces, maar ook een politieke machtspraktijk. Radicaal-rechtse
leiders, media en digitale netwerken versterken selectief incidenten, beelden
en verhalen die neerwaartse vergelijking mogelijk maken. Zij presenteren
individuele gedragingen als bewijs voor groepskarakter, uitzonderingen als
patroon, sociale verandering als aanval en kritiek als censuur. Collectieve
interpretatiekaders kunnen zowel cohesie als conflict bevorderen, maar worden destructief
wanneer zij sociale realiteit interpreteren in termen van bedreiging,
vijandschap of exclusieve groepsidentiteit.
Daarmee krijgt het begrip “eigenwaarde door afgrenzing”
een dubbele betekenis. Op individueel niveau verwijst het naar het
psychologische mechanisme waarbij mensen zichzelf waardevoller voelen doordat
zij zich identificeren met een superieur voorgestelde groep. Op
collectief-politiek niveau verwijst het naar een narratieve orde waarin de
eigen groep slechts positief kan verschijnen doordat anderen worden
gedevalueerd. Extreemrechts populisme functioneert dan als een affectieve
infrastructuur: het organiseert gevoelens van verlies, vernedering en
onzekerheid rond een wij-zij-tegenstelling die symbolische status herstelt.
Vanuit democratisch-rechtsstatelijk perspectief is dit
problematisch omdat het de norm van gelijke menselijke waardigheid aantast. Een
democratische gemeenschap kan groepsidentiteiten erkennen, maar zij kan niet
toestaan dat politieke waardigheid afhankelijk wordt gemaakt van hiërarchische
uitsluiting. De kern van de democratische rechtsstaat is dat burgers
verschillend mogen zijn zonder hun gelijke aanspraak op bescherming,
participatie en respect te verliezen. Neerwaartse vergelijking ondermijnt precies
dat uitgangspunt, omdat zij de ander niet langer als gelijkwaardige deelnemer
aan de politieke gemeenschap ziet, maar als noodzakelijk tegenbeeld voor het
herstel van de eigen groepswaarde.
Deze analyse maakt ook duidelijk waarom bestrijding van
extreemrechts niet kan bestaan uit louter feitelijke correctie of morele
veroordeling. Feiten zijn noodzakelijk, maar onvoldoende wanneer vijandbeelden
een identitaire functie vervullen. Morele begrenzing is eveneens noodzakelijk,
maar onvoldoende wanneer mensen daadwerkelijk verlies van erkenning,
perspectief of sociale veiligheid ervaren. Een democratische respons moet
daarom twee bewegingen tegelijk maken: enerzijds onvoorwaardelijk vasthouden aan
gelijkwaardigheid en minderhedenbescherming; anderzijds sociale en
institutionele voorwaarden creëren waarin mensen eigenwaarde kunnen ontlenen
aan bijdrage, verbondenheid, bestaanszekerheid en democratische participatie,
in plaats van aan de vernedering van anderen.
Extreemrechts stemgedrag kan mede worden begrepen als een
vorm van identiteitsherstel door neerwaartse vergelijking. Waar mensen weinig
uitzicht ervaren op daadwerkelijke sociale stijging of betekenisvolle
erkenning, kan het politiek aantrekkelijk worden om symbolische status te ontlenen
aan het behoren tot een vermeend superieure, bedreigde of miskende groep.
Minderheden functioneren in dat proces niet primair als oorzaak van
maatschappelijke problemen, maar als noodzakelijke contrastfiguren in een
verhaal van eigenwaarde door afgrenzing. Precies daarin ligt de verklarende
kracht van de hypothese: extreemrechts biedt niet alleen antwoorden op
problemen, maar ook een identiteit waarin mensen zich verheven kunnen voelen
omdat anderen worden verlaagd.
[1] Henri Tajfel en
John C. Turner, “The Social Identity Theory of Intergroup Behavior,” in Psychology
of Intergroup Relations, red. William G. Austin en Stephen Worchel
(Chicago: Nelson-Hall, 1986), 7–24; Henri Tajfel, Human Groups and Social
Categories: Studies in Social Psychology (Cambridge: Cambridge University
Press, 1981); Michael A. Hogg, The Social Psychology of Group Cohesiveness:
From Attraction to Social Identity (New York/London: Harvester Wheatsheaf,
1992).
[2] Agnieszka Golec
de Zavala, Aleksandra Cichocka, Roy Eidelson en Nuwan Jayawickreme, “Collective
Narcissism and Its Social Consequences,” Journal of Personality and Social
Psychology 97, nr. 6 (2009): 1074–1096; Agnieszka Golec de Zavala,
“Collective Narcissism and In-Group Satisfaction Are Associated with Different
Emotional Profiles and Psychological Well-Being,” Frontiers in Psychology
10 (2019): 203.
[3] Agnieszka Golec
de Zavala, Dorottya Lantos en Maggie Bowden, “Self-Esteem and the Association
between Collective Narcissism and Out-Group Derogation,” Journal of
Personality and Social Psychology 118, nr. 4 (2020): 743–761. Zie ook
Aleksandra Cichocka, “Understanding Defensive and Secure In-Group Positivity:
The Role of Collective Narcissism,” European Review of Social Psychology
27, nr. 1 (2016): 283–317.

Reacties
Een reactie posten