Groei is niet het doel. Het is een middel — en soms zelfs een probleem
Groei:
contextualisering binnen reproductieve grenzen
Economische groei heeft
in de moderne geschiedenis een centrale plaats ingenomen in het denken over
welvaart en vooruitgang. Sinds de twintigste eeuw wordt economische
ontwikkeling in veel landen primair gemeten aan de hand van de groei van het
bruto binnenlands product (GDP). Deze indicator geeft de totale monetaire
waarde weer van goederen en diensten die binnen een economie worden
geproduceerd. Groei van het GDP wordt vaak geïnterpreteerd als teken van
economische gezondheid en maatschappelijke vooruitgang.
Hoewel deze indicator
belangrijke informatie bevat over economische activiteit, is zij analytisch
beperkt wanneer zij wordt gebruikt als algemene maatstaf voor maatschappelijke
ontwikkeling. GDP meet immers productievolume, niet de kwaliteit van menselijke
ontwikkeling of de duurzaamheid van de materiële processen waarop productie
berust. Vanuit een relationeel en ecologisch perspectief is het daarom
noodzakelijk om economische groei te onderscheiden van bredere begrippen zoals
welvaart, welzijn en ontwikkelingsruimte.
1 Groei, welvaart en
welzijn
Economische groei
verwijst in strikte zin naar een toename van geaggregeerde economische output.
Welvaart omvat een bredere set van materiële voorzieningen waarover mensen
beschikken, zoals huisvesting, gezondheidszorg, infrastructuur en onderwijs.
Welzijn verwijst nog verder naar de kwaliteit van het leven dat mensen
daadwerkelijk ervaren: gezondheid, sociale relaties, veiligheid, psychische
stabiliteit en mogelijkheden tot participatie in het maatschappelijke leven.
Binnen de ecologische
economie is bovendien benadrukt dat economische groei niet los kan worden
gezien van materiële en energetische stromen. Economieën functioneren als
systemen die energie en grondstoffen uit de biosfeer onttrekken en afvalstromen
genereren. Wanneer deze materiële throughput de regeneratieve capaciteit van
ecosystemen overschrijdt, ontstaan structurele ecologische spanningen[1].
Dit onderscheid is
cruciaal omdat groei van economische productie niet automatisch leidt tot
verbetering van welzijn. In sommige situaties kan GDP stijgen terwijl de
kwaliteit van leven stagneert of zelfs verslechtert. Economische activiteit kan
bijvoorbeeld toenemen door herstel na natuurrampen, intensivering van
defensie-uitgaven of uitbreiding van consumptiepatronen die vooral
statuscompetitie voeden. In dergelijke gevallen neemt de gemeten productie toe
zonder dat de materiële of relationele voorwaarden van menselijke ontwikkeling
noodzakelijk verbeteren.
Interdisciplinair
onderzoek in economie, sociologie en welzijnswetenschappen heeft daarom gewezen
op de beperkingen van GDP als maatstaf voor maatschappelijke vooruitgang.
Studies naar levenskwaliteit, gezondheid en sociale cohesie laten zien dat
factoren zoals inkomenszekerheid, sociale relaties en institutioneel vertrouwen
een belangrijke rol spelen in menselijke ontwikkeling[2].
Economische groei kan deze factoren ondersteunen, maar zij kan ze ook onder
druk zetten wanneer zij gepaard gaat met toenemende ongelijkheid, precariteit
of sociale fragmentatie.
2. Groei als
historisch instrument tegen schaarste
Deze kritische
kanttekeningen betekenen niet dat economische groei historisch onbelangrijk of
irrelevant is geweest. In veel regio’s heeft economische expansie bijgedragen
aan het verminderen van extreme armoede, het verbeteren van gezondheidszorg en
het uitbreiden van onderwijs. Productiviteitsstijgingen hebben het mogelijk
gemaakt om met minder arbeid grotere hoeveelheden voedsel, goederen en diensten
te produceren. Dit heeft de materiële basis van samenlevingen aanzienlijk
versterkt[3].
Vanuit historisch
perspectief kan groei daarom worden begrepen als een instrument waarmee
samenlevingen materiële schaarste hebben verminderd. In contexten waar grote
delen van de bevolking onvoldoende toegang hebben tot voedsel, gezondheidszorg
of infrastructuur, kan economische expansie bijdragen aan het realiseren van
een sociale ondergrens van bestaanszekerheid. Groei kan in zulke situaties
reproductief werken doordat zij de materiële voorwaarden van menswording
versterkt.
Het probleem ontstaat
wanneer groei niet langer een middel is om materiële tekorten te verminderen,
maar een doel op zichzelf wordt. Wanneer economische systemen structureel
gericht zijn op voortdurende expansie van productie en consumptie, kan de
relatie tussen groei en menselijke ontwikkeling losser worden. Groei kan dan
gepaard gaan met toenemende ecologische druk, accumulatie van economische macht
of sociale instabiliteit.
3. Ecologische
grenzen en economische expansie
Vanuit het perspectief
van de ecologische economie wordt economische groei daarom geplaatst binnen de
materiële grenzen van de biosfeer. Economische activiteit vereist energie en
grondstoffen en produceert tegelijkertijd afvalstromen. Wanneer de totale economische
throughput – de stroom van materiaal en energie door het economische systeem –
sneller groeit dan de regeneratieve capaciteit van natuurlijke systemen,
ontstaat ecologische overschrijding.
Onderzoek binnen de
ecologische economie, onder andere in het werk van Herman Daly, benadrukt dat
economische systemen niet onbeperkt kunnen groeien binnen een eindig ecologisch
systeem[4].
De biosfeer heeft een beperkte capaciteit om hulpbronnen te regenereren en
afvalstoffen te absorberen. Wanneer economische expansie deze capaciteit
structureel overschrijdt, ontstaan cumulatieve milieuproblemen zoals
klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en uitputting van natuurlijke
hulpbronnen.
Deze inzichten hebben
geleid tot nieuwe conceptuele modellen die economische activiteit situeren
binnen ecologische grenzen. Een bekend voorbeeld is het raamwerk van planetaire
grenzen dat in de aardwetenschappen is ontwikkeld om de stabiliteit van de aarde
als systeem te beschrijven. In economische context wordt deze benadering vaak
gecombineerd met sociale doelstellingen, zoals in modellen die economische
activiteit situeren tussen een sociale ondergrens en een ecologische bovengrens[5].
Binnen deze benadering
wordt economische ontwikkeling niet langer primair beoordeeld op basis van
maximale expansie van productie, maar op basis van haar vermogen om menselijke
behoeften te vervullen zonder de stabiliteit van natuurlijke systemen te ondermijnen.
Groei kan binnen dit kader nog steeds plaatsvinden, maar zij wordt onderworpen
aan een dubbele toets: draagt zij bij aan sociale reproductie en blijft zij
binnen ecologische draagkracht?
4. Reproductieve en
destructieve groei
Vanuit het relationele
mens- en samenlevingsmodel kan daarom een onderscheid worden gemaakt tussen
reproductieve en destructieve vormen van groei. Reproductieve groei versterkt
de materiële en institutionele voorwaarden van menselijke ontwikkeling. Investeringen
in onderwijs, gezondheidszorg, duurzame energie of publieke infrastructuur
kunnen bijdragen aan zowel economische activiteit als aan stabilisering van
sociale en ecologische systemen.
Destructieve groei
daarentegen vergroot economische output op een wijze die de onderliggende
voorwaarden van samenleven ondermijnt. Wanneer groei wordt gerealiseerd via
intensivering van fossiele energie, uitputting van ecosystemen of toenemende
sociale precariteit, kan zij op korte termijn economische expansie genereren
terwijl zij op lange termijn ontwikkelingsruimte verkleint.
Het centrale probleem is
daarom niet groei op zichzelf, maar de wijze waarop groei wordt georganiseerd
en de criteria waarop economische succes wordt beoordeeld. Wanneer economische
systemen uitsluitend worden geëvalueerd op basis van volumegroei van productie,
bestaat het risico dat sociale en ecologische kosten systematisch worden
genegeerd.
5. Groei binnen
reproductieve grenzen
Het relationele
perspectief dat in dit hoofdstuk wordt ontwikkeld verschuift de aandacht daarom
van maximale groei naar duurzame reproductie van ontwikkelingsruimte.
Economische activiteit moet worden beoordeeld op haar vermogen om de materiële
voorwaarden van menswording te ondersteunen zonder de mogelijkheden van
toekomstige generaties te beperken.
Dit impliceert dat economische
expansie slechts legitiem is voor zover zij plaatsvindt binnen twee
fundamentele grenzen. Enerzijds moet zij bijdragen aan het realiseren van een
sociale ondergrens waarin basiszekerheid, zorginfrastructuur en toegang tot
publieke voorzieningen worden gewaarborgd. Anderzijds moet zij plaatsvinden
binnen de ecologische draagkracht van de biosfeer.
Binnen deze grenzen kan
economische ontwikkeling verschillende vormen aannemen. In sommige sectoren kan
groei noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om duurzame energie-infrastructuur op te
bouwen of om toegang tot onderwijs en gezondheidszorg te verbeteren. In andere
sectoren kan stabilisatie of zelfs krimp wenselijk zijn wanneer economische
activiteit ecologische schade veroorzaakt of sociale ongelijkheid versterkt.
Economische groei
verschijnt daarmee niet langer als het centrale doel van economische ordening,
maar als een mogelijk instrument binnen een bredere strategie van duurzame
samenlevingsvorming. De kernvraag verschuift van de maximalisering van
productie naar de reproductie van ontwikkelingsruimte: hoe economische systemen
zo kunnen worden georganiseerd dat zij de materiële, sociale en ecologische
voorwaarden van mens- en samenlevingswording ondersteunen.
In de volgende paragrafen
wordt deze vraag verder uitgewerkt door de macro-economische dynamiek van
moderne economieën te analyseren en te onderzoeken hoe investeringen, arbeid en
institutionele structuren bijdragen aan of juist afbreuk doen aan sociale reproductie.
[1] Zie onder meer
Herman E. Daly, Steady-State Economics (San Francisco: W.H. Freeman,
1977); Herman E. Daly en Joshua Farley, Ecological Economics: Principles and
Applications (Washington, DC: Island Press, 2004); en Johan Rockström e.a.,
“A Safe Operating Space for Humanity,” Nature 461 (2009): 472–475.
[2]
Interdisciplinair onderzoek heeft herhaaldelijk gewezen op de beperkingen van
het bruto binnenlands product (BBP) als maatstaf voor maatschappelijke
vooruitgang. Hoewel BBP economische productie meet, geeft het slechts beperkt
inzicht in factoren zoals inkomensverdeling, gezondheid, sociale cohesie,
ecologische duurzaamheid en institutioneel vertrouwen. Verschillende
onderzoeksprogramma’s hebben daarom gepleit voor bredere welvaartsindicatoren
die menselijke ontwikkeling en levenskwaliteit beter weerspiegelen. Zie onder meer
Joseph E. Stiglitz, Amartya Sen en Jean-Paul Fitoussi, Report by the
Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress
(2009); Amartya Sen, Development as Freedom (New York: Knopf, 1999); en
Richard Layard, Happiness: Lessons from a New Science (London: Penguin,
2005).
[3]
Historisch onderzoek naar economische ontwikkeling laat zien dat
productiviteitsstijgingen – onder meer door technologische innovatie,
mechanisatie en kennisontwikkeling – een centrale rol hebben gespeeld in de
uitbreiding van materiële productiecapaciteit. Hierdoor werd het mogelijk om
met minder arbeid grotere hoeveelheden voedsel, goederen en diensten te
produceren, wat heeft bijgedragen aan stijgende levensstandaarden en
verbeteringen in gezondheid, onderwijs en levensverwachting. Zie onder meer
Angus Maddison, Contours of the World Economy 1–2030 AD: Essays in
Macro-Economic History (Oxford: Oxford University Press, 2007); Robert C.
Allen, Global Economic History: A Very Short Introduction (Oxford:
Oxford University Press, 2011); en Joel Mokyr, The Lever of Riches:
Technological Creativity and Economic Progress (Oxford: Oxford University
Press, 1990).
[4]
Herman E. Daly heeft dit inzicht uitgewerkt in zijn theorie van de zogenoemde steady-state
economy, waarin economische activiteit wordt afgestemd op de regeneratieve
capaciteit van ecosystemen en de draagkracht van de biosfeer. Zie Herman E.
Daly, Steady-State Economics (San Francisco: W.H. Freeman, 1977); Herman
E. Daly en Joshua Farley, Ecological Economics: Principles and Applications
(Washington, DC: Island Press, 2004). Voor een bredere
wetenschappelijke formulering van planetaire grenzen zie ook Johan Rockström
e.a., “A Safe Operating Space for Humanity,” Nature 461 (2009): 472–475.
[5] Zie Johan
Rockström e.a., “A Safe Operating Space for Humanity,” Nature 461
(2009): 472–475; Will Steffen e.a., “Planetary Boundaries: Guiding Human
Development on a Changing Planet,” Science 347 (2015); en Kate Raworth, Doughnut
Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist (London:
Random House Business, 2017).
.jpg)
Reacties
Een reactie posten