Groei is niet genoeg: wanneer ondersteunt de economie écht menselijke ontwikkeling?

Economische en ecologische interdependentie: economie als materiële infrastructuur van menswording

Economie vormt de materiële infrastructuur van samenleven. Zij organiseert de productie en verdeling van middelen die menselijke ontwikkeling mogelijk maken, maar doet dit altijd binnen netwerken van sociale afhankelijkheid en binnen de grenzen van de biosfeer. Economische ordening is daarom geen autonoom mechanisme van markten en groei, maar een relationeel en ecologisch proces dat bepaalt hoe ontwikkelingsruimte wordt gecreëerd, verdeeld en doorgegeven tussen generaties. De centrale vraag van dit hoofdstuk is dan ook niet hoe economie maximaal kan groeien, maar onder welke voorwaarden zij de materiële basis van duurzame mens- en samenlevingswording ondersteunt.

1. Economie als materiële onderlaag van samenleven

In veel gangbare benaderingen wordt economie voorgesteld als een relatief autonoom domein van productie, handel en financiële transacties dat wordt gestuurd door markten, prijzen en individuele keuzes[1]. Deze voorstelling suggereert dat economische processen in belangrijke mate los kunnen worden geanalyseerd van de bredere sociale en ecologische context waarin zij plaatsvinden. Vanuit het relationeel-procesmatige mens- en samenlevingsmodel is een dergelijke afbakening echter ontoereikend. Economie moet in een fundamentelere zin worden begrepen als de organisatie van de materiële voorwaarden waaronder menselijk leven en samenleven mogelijk worden.

Menselijke ontwikkeling voltrekt zich immers niet in abstracte vrijheid, maar in concrete omstandigheden van afhankelijkheid. Elk individu wordt geboren in een wereld waarin anderen al arbeid hebben verricht, middelen hebben georganiseerd en instituties hebben opgebouwd. Voedselproductie, energievoorziening, huisvesting, infrastructuur, gezondheidszorg en kennisoverdracht vormen de materiële basis waarop menselijke ontwikkeling rust. Economische structuren bepalen daarmee in belangrijke mate de ruimte waarin mensen hun capaciteiten kunnen ontplooien. Wanneer toegang tot deze voorwaarden stabiel en breed toegankelijk is, ontstaat ontwikkelingsruimte. Wanneer zij schaars, ongelijk verdeeld of precair georganiseerd zijn, wordt menselijke ontwikkeling structureel begrensd.

Deze materiële dimensie kan niet los worden gezien van de sociale reproductie die in het voorgaande hoofdstuk werd geanalyseerd. Sociale reproductie betreft de overdracht van kennis, normen, vaardigheden en identiteiten tussen generaties. Deze overdracht vereist echter altijd materiële dragers: tijd, energie, infrastructuur en institutionele stabiliteit. Onderwijs veronderstelt gebouwen, docenten en publieke middelen; zorg veronderstelt betaalde en onbetaalde arbeid; culturele praktijken veronderstellen ruimtes en middelen waarin zij kunnen worden onderhouden. Economie vormt daarmee niet de tegenpool van cultuur of samenleving, maar de materiële infrastructuur waarbinnen sociale overdracht plaatsvindt. Wanneer economische structuren zorg onderwaarderen, structurele onzekerheid in arbeidsrelaties vergroten of publieke voorzieningen uithollen, verzwakken zij indirect de stabiliteit van intergenerationele overdracht.

Vanuit dit perspectief wordt duidelijk dat economie niet kan worden begrepen als een autonoom subsysteem. Economische processen zijn altijd ingebed in sociale instituties, culturele normen en politieke structuren. De historische analyse van Karl Polanyi heeft al laten zien dat markten nooit volledig zelfstandig functioneren, maar steeds afhankelijk zijn van institutionele ordening en maatschappelijke regulering. Economische activiteiten worden mogelijk gemaakt door rechtssystemen, infrastructuur, onderwijsstelsels en gedeelde verwachtingen van vertrouwen en stabiliteit. Wanneer deze institutionele inbedding verzwakt, wordt ook economische coördinatie fragiel[2].

Tegelijk kan economie niet worden begrepen zonder haar ecologische inbedding. Alle economische activiteit berust uiteindelijk op energie- en materiaalstromen die afkomstig zijn uit de biosfeer. Landbouw is afhankelijk van bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit, industrie van grondstoffen en energie, en stedelijke samenlevingen van complexe ecologische cycli van water, klimaat en ecosystemen. Economische activiteit is daarom geen creatie uit het niets, maar een transformatie van materie en energie binnen de grenzen van natuurlijke systemen. Vanuit het perspectief van de ecologische economie zoals ontwikkeld door onder anderen Herman Daly[3], kan economie worden opgevat als een subsysteem van een groter ecologisch geheel. Productie en consumptie maken gebruik van natuurlijke hulpbronnen en genereren tegelijkertijd afvalstromen die door ecosystemen moeten worden opgenomen. Wanneer economische activiteit deze regeneratieve capaciteit structureel overschrijdt, ondermijnt zij haar eigen materiële basis.

Economische activiteit is onlosmakelijk ingebed in de materiële en ecologische systemen waarvan zij afhankelijk is. Deze ecologische inbedding impliceert dat economische expansie niet onbeperkt kan worden gedacht. In moderne economische statistiek wordt groei doorgaans gemeten als toename van geaggregeerde productie, bijvoorbeeld via het bruto binnenlands product. Dergelijke indicatoren geven echter slechts beperkt inzicht in de duurzaamheid van de materiële processen waarop economische activiteit berust. In het hedendaagse economische debat is daarom steeds meer aandacht ontstaan voor het onderscheid tussen economische groei enerzijds en bredere vormen van welvaart en welzijn anderzijds[4]. Binnen de ecologische economie wordt benadrukt dat economische systemen functioneren als materiële doorstroomsystemen van energie en grondstoffen die uiteindelijk afhankelijk zijn van de draagkracht van de biosfeer[5]. Conceptuele modellen zoals de zogenoemde donut economy[6] verbeelden deze afhankelijkheid door economische activiteit te plaatsen binnen twee normatieve grenzen: een sociale ondergrens die basisvoorwaarden van menswaardig bestaan waarborgt, en een ecologische bovengrens die wordt bepaald door de regeneratieve capaciteit van natuurlijke systemen.

Tegen deze achtergrond moet de vraag naar economische groei opnieuw worden geformuleerd. Historisch heeft economische expansie een belangrijke rol gespeeld bij het verminderen van materiële schaarste en het verbeteren van levensomstandigheden[7]. Technologische innovatie, productiviteitsstijging en institutionele ontwikkeling hebben in veel samenlevingen bijgedragen aan hogere levensverwachting, betere gezondheidszorg en bredere toegang tot onderwijs. Tegelijkertijd kan groei niet worden opgevat als een doel op zichzelf. Wanneer economische expansie gepaard gaat met overschrijding van ecologische grenzen, concentratie van economische macht of structurele onzekerheid in arbeids- en bestaansvoorwaarden, kan zij de reproductieve basis van samenlevingen onder druk zetten. Vanuit dit perspectief krijgt economische groei een instrumenteel karakter: zij is slechts normatief gerechtvaardigd voor zover zij bijdraagt aan het behoud en de uitbreiding van de materiële, sociale en ecologische voorwaarden die duurzame ontwikkelingsruimte voor mensen mogelijk maken.

Deze herinterpretatie impliceert ook een andere kijk op markten. Marktmechanismen vervullen in moderne samenlevingen een belangrijke coördinerende functie doordat prijzen informatie verschaffen over schaarste en vraag. In complexe economieën kunnen zij daardoor een efficiënt instrument zijn voor allocatie en innovatie. Markten vormen echter geen normatieve orde op zichzelf. Zij corrigeren niet automatisch machtsconcentratie, ecologische externaliteiten of intergenerationele kostenverschuiving[8]. Zonder institutionele begrenzing kunnen markten ongelijkheid versterken en ecologische lasten externaliseren. Economische vrijheid kan daarom niet worden begrepen als onbeperkte individuele keuzeruimte, maar als handelen binnen een netwerk van wederzijdse afhankelijkheden en gedeelde verantwoordelijkheid.

Vanuit dit perspectief verschijnt economie als een relationeel-ecologisch proces. Economische structuren bestaan uit netwerken van afhankelijkheid tussen individuen, instituties en natuurlijke systemen. Deze afhankelijkheden kunnen wederkerig of asymmetrisch worden georganiseerd. Zij kunnen samenwerking en innovatie bevorderen, maar ook dominantie en kwetsbaarheid produceren. De wijze waarop economische interdependentie institutioneel wordt vormgegeven bepaalt daarom in hoge mate of samenlevingen stabiel en corrigeerbaar blijven, dan wel accumulatieve spanningen ontwikkelen die leiden tot sociale en ecologische crises.

De centrale stelling van dit hoofdstuk luidt daarom dat economie geen autonoom systeem vormt, maar een relationeel en ecologisch ingebed proces waarin de materiële voorwaarden van menswording worden georganiseerd. Economische ordening bepaalt hoe ontwikkelingsruimte wordt geproduceerd, verdeeld en doorgegeven tussen generaties. Wanneer economie wordt losgekoppeld van sociale reproductie en ecologische grenzen, ondermijnt zij uiteindelijk haar eigen basis. Wanneer zij daarentegen wordt ingericht als corrigeerbaar systeem van wederzijdse afhankelijkheid, kan zij bijdragen aan duurzame mens- en samenlevingswording.

Vanuit dit perspectief kan economie worden begrepen als de materiële infrastructuur van samenleven. Zij organiseert niet alleen productie en distributie van goederen en diensten, maar structureert ook tijd, afhankelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden binnen samenlevingen. Economische instituties bepalen daarmee in belangrijke mate onder welke voorwaarden menselijke ontwikkeling, sociale stabiliteit en ecologische duurzaamheid zich kunnen ontvouwen.

De volgende paragrafen werken deze these verder uit. Eerst wordt economie geanalyseerd als relationeel proces van wederzijdse afhankelijkheid (paragraaf 7.2), waarna de rol en begrenzing van marktmechanismen wordt onderzocht (paragraaf 7.3). Vervolgens wordt economische groei geplaatst binnen sociale en ecologische reproductieve grenzen (paragraaf 7.4). Daarna verschuift de analyse naar macro-economische dynamiek, zorg en emotionele structuren binnen economie (paragrafen 7.5–7.7). Ten slotte wordt economie expliciet geplaatst binnen haar ecologische context en worden de normatieve voorwaarden van een menswordingsbevorderende economische ordening geformuleerd (paragrafen 7.8–7.12).

2 Economie als relationeel proces

In veel economische modellen wordt economie voorgesteld als een verzameling transacties tussen individuele actoren die hun voorkeuren en belangen nastreven[9]. Producenten maximaliseren winst, consumenten maximaliseren nut en markten coördineren deze keuzes via prijzen. Hoewel deze abstrahering analytische waarde kan hebben, verhult zij een fundamentele realiteit: economische activiteit ontstaat nooit uit geïsoleerde individuele handelingen, maar uit netwerken van wederzijdse afhankelijkheid. Productie, distributie en consumptie zijn altijd ingebed in sociale relaties, institutionele structuren en materiële infrastructuren die door anderen worden onderhouden[10].

Vanuit een relationeel mens- en samenlevingsbegrip moet economie daarom worden begrepen als een proces van georganiseerde interdependentie. Individuele handelingen maken deel uit van bredere ketens van samenwerking waarin arbeid, kennis, kapitaal en natuurlijke hulpbronnen samenkomen. Zelfs de meest ogenschijnlijk autonome economische actor, bijvoorbeeld een ondernemer, opereert binnen een context van publieke infrastructuur, juridische bescherming, onderwijsstelsels, financiële instellingen en technologische netwerken. Economische activiteit is dus niet het resultaat van geïsoleerde keuzevrijheid, maar van een complex web van sociale en institutionele voorwaarden.

7.2.1. Economische inbedding in sociale instituties

Het inzicht dat economie ingebed is in sociale structuren heeft een lange intellectuele geschiedenis. In zijn historische analyse van marktsamenlevingen benadrukte Karl Polanyi dat economische activiteiten nooit volledig autonoom functioneren, maar altijd worden gevormd door institutionele kaders, politieke besluitvorming en maatschappelijke normen[11]. Markten kunnen slechts functioneren wanneer eigendomsrechten worden beschermd, contracten worden gehandhaafd en vertrouwen bestaat in de stabiliteit van instituties. Economische processen zijn daarom altijd “embedded” in bredere sociale ordeningen.

In hedendaagse economieën wordt deze relationele inbedding bovendien zichtbaar in mondiale productieketens en digitale economische netwerken. Productieprocessen zijn verspreid over verschillende continenten, terwijl digitale platforms transacties coördineren tussen miljoenen actoren. Hierdoor ontstaan complexe afhankelijkheidsstructuren waarin economische beslissingen op één locatie gevolgen kunnen hebben voor arbeidsomstandigheden, milieubelasting en inkomensverdeling elders in de wereld.

Dit betekent dat economie niet kan worden begrepen als een zelfregulerend mechanisme dat spontaan evenwicht produceert. Markten, bedrijven en financiële systemen opereren binnen een institutioneel landschap dat door samenlevingen zelf wordt vormgegeven. Overheden, rechtssystemen, publieke infrastructuur en sociale normen bepalen de spelregels waarbinnen economische interacties plaatsvinden. Wanneer deze institutionele voorwaarden veranderen, veranderen ook de dynamiek en uitkomsten van economische processen.

Het relationele perspectief maakt daarmee zichtbaar dat economische vrijheid altijd afhankelijk is van collectieve structuren. Individuele economische keuzes zijn mogelijk dankzij gedeelde instituties en publieke voorzieningen die door anderen worden onderhouden. Economische autonomie is daarom nooit absoluut, maar altijd relationeel gesitueerd.

2.2. Mondiale productieketens en economische interdependentie

De relationele aard van economie wordt bijzonder zichtbaar in de structuur van moderne productiesystemen. In hedendaagse economieën worden goederen en diensten zelden volledig binnen één regio of door één organisatie geproduceerd. In plaats daarvan zijn productieprocessen verdeeld over complexe mondiale productieketens waarin verschillende regio’s, bedrijven en arbeidsmarkten met elkaar verbonden zijn.

Een alledaags product zoals een smartphone of kledingstuk, is het resultaat van grondstoffenwinning in één continent, assemblage in een ander en consumptie in een derde. Deze geografische spreiding van productie maakt duidelijk dat economische handelingen vrijwel altijd implicaties hebben die ver buiten de directe context van producenten en consumenten reiken. Arbeidsomstandigheden, milieueffecten en prijszetting in één deel van de wereld kunnen directe gevolgen hebben voor economische kansen en kwetsbaarheden elders[12].

Mondiale productieketens vergroten daarmee de mate van economische interdependentie tussen samenlevingen. Enerzijds kan deze verwevenheid bijdragen aan economische ontwikkeling en kennisuitwisseling. Anderzijds kan zij ook nieuwe vormen van asymmetrische afhankelijkheid creëren, bijvoorbeeld wanneer producenten in lage-inkomenslanden structureel afhankelijk zijn van prijszetting door grote internationale bedrijven. Economische interdependentie is dus geen neutraal gegeven; zij kan zowel wederkerige samenwerking als structurele machtsasymmetrie voortbrengen.

2.3. Digitale economie en nieuwe vormen van netwerkstructuur

De opkomst van digitale technologie heeft deze relationele dynamiek verder versterkt. Digitale infrastructuren verbinden economische actoren op wereldwijde schaal en creëren nieuwe vormen van netwerkorganisatie. Platformbedrijven, data-infrastructuren en algoritmische marktplaatsen functioneren als centrale knooppunten waarin productie, distributie en consumptie worden gecoördineerd.

Digitale platforms illustreren hoe economische waarde steeds vaker ontstaat uit netwerkrelaties[13]. Diensten zoals online marktplaatsen, sociale media en digitale logistieke systemen functioneren doordat grote aantallen gebruikers met elkaar worden verbonden. Hoe meer actoren deelnemen, hoe groter de waarde van het netwerk wordt; een dynamiek die bekendstaat als het netwerkeffect. Hierdoor kunnen digitale markten sterk geconcentreerd raken rond enkele dominante platforms.

Deze ontwikkeling benadrukt opnieuw dat economie niet louter bestaat uit individuele transacties, maar uit infrastructuren van relaties. Data, algoritmen en digitale communicatiekanalen vormen nieuwe vormen van economische infrastructuur die bepalen hoe informatie circuleert, hoe prijzen tot stand komen en hoe toegang tot markten wordt georganiseerd. Tegelijk roept de digitale economie vragen op over machtsconcentratie, databeheer en institutionele regulering, omdat platformstructuren de neiging hebben om schaalvoordelen en monopolievorming te versterken.

2.4. Wederkerigheid en asymmetrie

Hoewel economische interdependentie onvermijdelijk is, kan zij op verschillende manieren worden georganiseerd. In sommige situaties ontstaat wederkerige afhankelijkheid: partijen hebben elkaar nodig en beschikken over vergelijkbare onderhandelingsruimte. In andere situaties wordt afhankelijkheid asymmetrisch. Dat gebeurt wanneer toegang tot kapitaal, informatie of distributiekanalen sterk geconcentreerd raakt, waardoor bepaalde actoren structureel kwetsbaarder worden dan anderen.

Asymmetrische afhankelijkheid kan zich op verschillende niveaus manifesteren. Op lokaal niveau kan zij ontstaan wanneer werknemers weinig alternatieven hebben voor werkgelegenheid. Op internationaal niveau kan zij optreden wanneer landen sterk afhankelijk worden van export van één grondstof of wanneer productieketens zo georganiseerd zijn dat waarde voornamelijk wordt geaccumuleerd in een beperkt aantal knooppunten. Ook in de digitale economie kan asymmetrie ontstaan wanneer platformbedrijven controle krijgen over data-stromen en toegang tot markten.

Het relationele perspectief maakt zichtbaar dat economische stabiliteit afhankelijk is van de wijze waarop deze afhankelijkheden institutioneel worden georganiseerd. Wanneer afhankelijkheden wederkerig en corrigeerbaar blijven, kunnen zij samenwerking en innovatie bevorderen. Wanneer zij structureel asymmetrisch worden, kunnen zij leiden tot machtsconcentratie, kwetsbaarheid en instabiliteit.

2.5. Economie als netwerk van georganiseerde afhankelijkheid

Economie verschijnt in dit licht niet als een verzameling losse transacties, maar als een dynamisch netwerk van georganiseerde afhankelijkheid. Individuen, bedrijven, instituties en ecosystemen zijn met elkaar verbonden via stromen van arbeid, energie, informatie en kapitaal. Deze verbindingen maken economische activiteit mogelijk, maar creëren tegelijkertijd verantwoordelijkheden en risico’s die verder reiken dan individuele actoren.

Het begrijpen van economie als relationeel proces heeft belangrijke implicaties voor economische analyse. Het verschuift de aandacht van geïsoleerde keuzehandelingen naar de structuren waarin keuzes worden gevormd en begrensd. Economische ordening wordt daarmee een vraagstuk van institutionele vormgeving: hoe netwerken van afhankelijkheid worden georganiseerd, hoe machtsconcentratie wordt begrensd en hoe economische interacties corrigeerbaar blijven.

Vanuit het mens- en samenlevingsmodel dat in dit werk wordt ontwikkeld, betekent dit dat economie moet worden beoordeeld op haar vermogen om relationele stabiliteit te ondersteunen. Een economie die wederkerige afhankelijkheid faciliteert en asymmetrie corrigeert, kan bijdragen aan duurzame mens- en samenlevingswording. Een economie waarin afhankelijkheden zich opstapelen tot structurele dominantie produceert daarentegen spanningen die uiteindelijk zowel sociale als ecologische stabiliteit ondermijnen.

In de volgende post zal daarom worden onderzocht welke rol marktmechanismen binnen deze relationele economie kunnen spelen en onder welke voorwaarden zij bijdragen aan coördinatie zonder de structurele balans van interdependentie te verstoren.




[1] In deze visie functioneren prijssignalen als primaire informatiebron voor economische besluitvorming en worden sociale, institutionele en ecologische contexten vaak behandeld als externe randvoorwaarden. In verschillende tradities binnen de economische sociologie en politieke economie is echter benadrukt dat economische processen altijd ingebed zijn in sociale relaties, institutionele structuren en culturele betekeniskaders. Zie onder meer Karl Polanyi, The Great Transformation (1944); Mark Granovetter, “Economic Action and Social Structure: The Problem of Embeddedness,” American Journal of Sociology 91 (1985); en Geoffrey M. Hodgson, Conceptualizing Capitalism (2015).

[2] De historische analyse van Karl Polanyi heeft laten zien dat markten nooit volledig zelfstandig functioneren, maar altijd institutioneel en maatschappelijk ingebed zijn. In The Great Transformation (1944) betoogt Polanyi dat markteconomieën slechts kunnen ontstaan en blijven functioneren wanneer zij worden ondersteund door politieke instituties, rechtssystemen en sociale regulering. Economische activiteiten zijn afhankelijk van infrastructuur, onderwijs, juridische zekerheid en gedeelde verwachtingen van vertrouwen en stabiliteit. Wanneer deze institutionele inbedding verzwakt, wordt ook de coördinatiecapaciteit van markten fragiel. Zie Karl Polanyi, The Great Transformation: The Political and Economic Origins of Our Time (Boston: Beacon Press, 1944). Vergelijk ook Mark Granovetter, “Economic Action and Social Structure: The Problem of Embeddedness,” American Journal of Sociology 91 (1985): 481–510.

[3] Vanuit het perspectief van de ecologische economie kan economie worden opgevat als een subsysteem van de biosfeer dat afhankelijk is van energie- en materiaalstromen uit natuurlijke systemen. Herman E. Daly heeft deze benadering uitgewerkt in zijn kritiek op onbeperkte economische groei en zijn pleidooi voor een zogenoemde steady-state economy, waarin economische activiteit wordt afgestemd op de draagkracht van ecologische systemen. Zie Herman E. Daly, Steady-State Economics (San Francisco: W.H. Freeman, 1977); Herman E. Daly en Joshua Farley, Ecological Economics: Principles and Applications (Washington, DC: Island Press, 2004).

[4] In het hedendaagse economische debat is toenemende aandacht ontstaan voor het onderscheid tussen economische groei, doorgaans gemeten via het bruto binnenlands product (BBP), en bredere vormen van welvaart en welzijn. Verschillende studies hebben erop gewezen dat BBP-groei slechts een beperkte indicator is voor maatschappelijke vooruitgang, omdat zij geen direct inzicht biedt in ongelijkheid, gezondheid, sociale cohesie of ecologische duurzaamheid. Zie onder meer Joseph E. Stiglitz, Amartya Sen en Jean-Paul Fitoussi, Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress (2009); Joseph E. Stiglitz, Jean-Paul Fitoussi en Martine Durand, Beyond GDP: Measuring What Counts for Economic and Social Performance (Paris: OECD Publishing, 2018); en Kate Raworth, Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist (London: Random House, 2017).

[5] Binnen de ecologische economie wordt economie vaak opgevat als een materieel doorstroomsysteem (throughput system) waarin energie en grondstoffen uit natuurlijke systemen worden onttrokken, economisch worden getransformeerd en uiteindelijk als afval en emissies terugkeren naar de biosfeer. Deze benadering benadrukt dat economische activiteit fundamenteel afhankelijk blijft van biogeofysische grenzen en de regeneratieve capaciteit van ecosystemen. Zie onder meer Herman E. Daly, Steady-State Economics (San Francisco: W.H. Freeman, 1977); Herman E. Daly en Joshua Farley, Ecological Economics: Principles and Applications (Washington, DC: Island Press, 2004); en Robert Costanza e.a., An Introduction to Ecological Economics (Boca Raton: CRC Press, 2014).

[6] Het concept van de zogenoemde donut economy is ontwikkeld door Kate Raworth. In dit model wordt economische activiteit voorgesteld als een ruimte tussen twee grenzen: een sociale ondergrens die basisvoorwaarden voor menswaardig leven waarborgt (zoals voedsel, gezondheid, onderwijs en politieke participatie) en een ecologische bovengrens die wordt bepaald door planetaire grenzen zoals klimaatstabiliteit, biodiversiteit en biogeochemische cycli. Het doel van economische organisatie is volgens dit model niet maximale groei, maar het realiseren van menselijke ontwikkeling binnen deze ecologische en sociale grenzen. Zie Kate Raworth, Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist (London: Random House Business, 2017). Voor de wetenschappelijke basis van de planetaire grenzen zie ook Johan Rockström e.a., “A Safe Operating Space for Humanity,” Nature 461 (2009): 472–475; en Will Steffen e.a., “Planetary Boundaries: Guiding Human Development on a Changing Planet,” Science 347 (2015).

[7] Historisch onderzoek naar economische ontwikkeling laat zien dat langdurige productiviteitsgroei en economische expansie in veel regio’s hebben bijgedragen aan een aanzienlijke vermindering van extreme armoede, een stijging van de levensverwachting en bredere toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. Zie onder meer Angus Maddison, Contours of the World Economy 1–2030 AD: Essays in Macro-Economic History (Oxford: Oxford University Press, 2007); Deirdre Nansen McCloskey, Bourgeois Dignity: Why Economics Can’t Explain the Modern World (Chicago: University of Chicago Press, 2010); en Robert C. Allen, Global Economic History: A Very Short Introduction (Oxford: Oxford University Press, 2011).

[8] Zie onder meer Friedrich A. Hayek, “The Use of Knowledge in Society,” American Economic Review 35 (1945): 519–530; Joseph E. Stiglitz, “Information and the Change in the Paradigm in Economics,” American Economic Review 92 (2002): 460–501; en Karl Polanyi, The Great Transformation (Boston: Beacon Press, 1944).

[9] Economische uitkomsten worden in dergelijke modellen vaak verklaard via methodologisch individualisme, waarbij markten worden opgevat als mechanismen waarin individuele keuzes via prijsmechanismen worden gecoördineerd. Zie onder meer Hal R. Varian, Intermediate Microeconomics: A Modern Approach (New York: W.W. Norton, 2014); Kenneth J. Arrow en Frank H. Hahn, General Competitive Analysis (San Francisco: Holden-Day, 1971); en Lionel Robbins, An Essay on the Nature and Significance of Economic Science (London: Macmillan, 1932).

[10] In verschillende tradities binnen de economische sociologie, institutionele economie en politieke economie wordt benadrukt dat economische activiteiten altijd ingebed zijn in sociale relaties, institutionele structuren en materiële infrastructuren. Productie, distributie en consumptie zijn afhankelijk van juridische kaders, publieke voorzieningen, kennisoverdracht en netwerken van vertrouwen en samenwerking. Deze inzichten worden onder meer uitgewerkt in Karl Polanyi’s analyse van de maatschappelijke inbedding van markten, evenals in sociologische benaderingen van economische actie. Zie Karl Polanyi, The Great Transformation (Boston: Beacon Press, 1944); Mark Granovetter, “Economic Action and Social Structure: The Problem of Embeddedness,” American Journal of Sociology 91 (1985): 481–510; en Douglass C. North, Institutions, Institutional Change and Economic Performance (Cambridge: Cambridge University Press, 1990).

[11] Karl Polanyi dat economische activiteiten nooit volledig autonoom functioneren, maar altijd worden gevormd door institutionele kaders, politieke besluitvorming en maatschappelijke normen. In The Great Transformation introduceerde hij het concept van de “embeddedness” van economie in sociale relaties en liet hij zien hoe markten historisch afhankelijk zijn van staatsvorming, regelgeving en sociale instituties. Zie Karl Polanyi, The Great Transformation: The Political and Economic Origins of Our Time (Boston: Beacon Press, 1944). Voor latere sociologische uitwerkingen van dit idee zie ook Mark Granovetter, “Economic Action and Social Structure: The Problem of Embeddedness,” American Journal of Sociology 91 (1985): 481–510.

[12] In een geglobaliseerde economie zijn productieprocessen vaak georganiseerd via internationale waardeketens waarin verschillende fasen van productie, verwerking en distributie over meerdere landen zijn verspreid. Beslissingen over arbeidsomstandigheden, milieunormen en prijszetting in één deel van deze ketens kunnen daardoor directe gevolgen hebben voor inkomens, werkgelegenheid en ecologische druk in andere regio’s. Zie onder meer Gary Gereffi, John Humphrey en Timothy Sturgeon, “The Governance of Global Value Chains,” Review of International Political Economy 12 (2005): 78–104; Richard Baldwin, The Great Convergence: Information Technology and the New Globalization (Cambridge, MA: Harvard University Press, 2016); en Dani Rodrik, The Globalization Paradox: Democracy and the Future of the World Economy (New York: W.W. Norton, 2011).

[13] In platformmarkten nemen netwerkeffecten een centrale plaats in: de waarde van een dienst groeit naarmate meer gebruikers deelnemen, waardoor schaalvoordelen en concentratie van marktmacht kunnen ontstaan. Zie onder meer Geoffrey G. Parker, Marshall W. Van Alstyne en Sangeet Paul Choudary, Platform Revolution: How Networked Markets Are Transforming the Economy (New York: W.W. Norton, 2016); Nick Srnicek, Platform Capitalism (Cambridge: Polity Press, 2017); en Jean Tirole, Economics for the Common Good (Princeton: Princeton University Press, 2017).

Reacties

Populaire posts van deze blog

Taal bepaalt niet alleen hoe we spreken, maar ook hoe we samenleven

Narratieven als structurerende mechanismen van samenlevingen - deel 7: Narratieve macht en manipulatie