Breaking: Onschuldige burgers sterven — en wij noemen het ‘oorlog’
Wanneer onschuld geen bescherming biedt
Er is een ongemakkelijke waarheid die zich opdringt telkens wanneer we het nieuws volgen over de oorlogen en escalaties in het Midden-Oosten. We analyseren, duiden, kiezen posities, spreken over strategie, veiligheid en geopolitiek. Maar onder al die woorden ligt een fundamentele spanning die zelden expliciet wordt gemaakt. In het strafrecht geldt een principe dat als een moreel anker fungeert: niemand mag worden gestraft zonder dat zijn schuld is bewezen. Het is een van de pijlers van de rechtsstaat, een bescherming tegen willekeur en tegen de brute kracht van macht zonder verantwoording. Het beschermt het individu tegen de neiging van systemen om te vereenvoudigen, om te generaliseren, om mensen te reduceren tot middelen.
En toch lijkt datzelfde principe te verdwijnen zodra geweld collectief wordt georganiseerd.
In de huidige oorlogsdynamiek, waarin staten als Israël en Iran elkaar aanvallen, waarin de Verenigde Staten betrokken zijn en waarin geweld zich uitbreidt naar onder meer Libanon en andere delen van de regio, worden burgers geraakt die geen enkele directe rol spelen in de besluitvorming die dit geweld aanstuurt. Zij hebben geen strategie bepaald, geen bevel gegeven, geen aanval uitgevoerd. Zij zijn geen daders in de zin waarin wij dat begrip in het recht gebruiken. En toch sterven zij, raken zij gewond, verliezen zij hun huis, hun familie, hun toekomst.
Waarom accepteren we dat?
Het antwoord ligt deels in de manier waarop oorlog verantwoordelijkheid transformeert. Waar het strafrecht uitgaat van individuele schuld, verschuift oorlog de focus naar collectieve entiteiten: staten, allianties, volkeren. In die verschuiving vervaagt het individu. Mensen worden onderdeel van een abstract geheel, en dat geheel wordt vervolgens als drager van verantwoordelijkheid gezien. Maar die abstractie heeft een prijs. Zij maakt het mogelijk om schade toe te brengen zonder dat er nog een directe morele relatie bestaat tussen dader en slachtoffer. De ander wordt geen concrete persoon meer, maar een element in een strategisch landschap.
Taal speelt hierin een cruciale rol. Termen als “nevenschade”, “strategische noodzaak” of “zelfverdediging” creëren afstand. Zij geven betekenis aan geweld op een manier die het begrijpelijk maakt, soms zelfs onvermijdelijk. Maar zij verhullen ook. Want achter elk van die termen schuilt een concreet leven dat wordt afgebroken. Een kind dat opgroeit in angst. Een ouder die zijn gezin verliest. Een samenleving die stukje bij beetje wordt ontwricht.
Vanuit het perspectief van menswording is dat geen bijverschijnsel, maar een fundamentele aantasting van de voorwaarden waaronder mensen zich kunnen ontwikkelen. Menswording, zoals in dit werk wordt begrepen, is een relationeel en procesmatig fenomeen. Mensen worden wie zij zijn in interactie met anderen, binnen structuren die veiligheid, erkenning en ontwikkelingsruimte bieden. Die ontwikkeling is nooit louter individueel; zij is afhankelijk van sociale relaties, institutionele ordening en materiële omstandigheden.
Oorlog ondermijnt al deze lagen tegelijk.
Relaties worden gekenmerkt door wantrouwen en vijanddenken. Instituties die bescherming en rechtvaardigheid moeten waarborgen, raken verzwakt of worden instrumenteel ingezet. Materiële omstandigheden verslechteren drastisch, waarbij bestaanszekerheid plaatsmaakt voor onzekerheid en overleving. En misschien nog ingrijpender: de morele en epistemische structuren die nodig zijn om de ander als medemens te blijven zien, komen onder druk te staan. Waar geweld langdurig aanwezig is, verschuift de grens van het aanvaardbare. Wat eerst ondenkbaar was, wordt voorstelbaar. Wat voorstelbaar wordt, kan uiteindelijk genormaliseerd raken.
Dat is de diepere tragedie van oorlog. Niet alleen de directe vernietiging, maar de langzame erosie van menselijkheid zelf.
Kinderen die opgroeien in conflictgebieden ontwikkelen hun identiteit in een context waarin geweld, verlies en onzekerheid alomtegenwoordig zijn. Hun wereldbeeld wordt gevormd door ervaringen waarin vertrouwen kwetsbaar is en waarin de ander vaak als bedreiging verschijnt. Tegelijkertijd worden ook samenlevingen buiten het conflict beïnvloed. Wij wennen aan beelden van geweld. Wij leren denken in termen van “kampen”, “belangen” en “onvermijdelijkheden”. Wij internaliseren, vaak ongemerkt, een morele dubbelstandaard waarin het leven van de ene mens impliciet anders wordt gewaardeerd dan dat van de ander.
En zo ontstaat een paradox die moeilijk te negeren valt. In onze rechtsstaten hechten wij grote waarde aan het beschermen van onschuldigen. Wij bouwen complexe systemen om te voorkomen dat iemand onterecht wordt gestraft. Wij erkennen dat de macht van de staat begrensd moet zijn en dat iedere inbreuk op individuele rechten zorgvuldig moet worden gerechtvaardigd. Maar zodra het geweld zich op het niveau van staten afspeelt, lijken diezelfde principes hun vanzelfsprekendheid te verliezen.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op: zijn onze normen universeel, of gelden zij alleen binnen bepaalde grenzen?
Het is verleidelijk om te antwoorden dat oorlog nu eenmaal andere regels kent. Dat er sprake is van noodzaak, van zelfverdediging, van tragische maar onvermijdelijke keuzes. En het is waar dat conflicten complex zijn, dat belangen botsen en dat oplossingen zelden eenvoudig zijn. Maar die erkenning ontslaat ons niet van de plicht om de morele implicaties onder ogen te zien. Noodzaak is geen neutraal begrip; zij wordt gedefinieerd binnen politieke en institutionele kaders. Wat als onvermijdelijk wordt gepresenteerd, is vaak het resultaat van eerdere keuzes, structuren en machtsverhoudingen.
De vraag is dus niet alleen hoe deze specifieke oorlog kan worden beëindigd, maar ook hoe wij omgaan met de principes die wij zeggen te verdedigen. Als wij werkelijk geloven dat onschuld bescherming verdient, dan kan dat principe niet verdwijnen op het moment dat het moeilijk wordt. Juist dan zou het richting moeten geven.
Dat betekent niet dat conflicten eenvoudig oplosbaar zijn. Het betekent wel dat wij moeten blijven zoeken naar manieren om geweld te begrenzen, om verantwoordelijkheid concreet te maken en om instituties te versterken die bescherming bieden. Het betekent dat wij kritisch moeten blijven op narratieven die ontmenselijken en vereenvoudigen. En het betekent dat wij moeten erkennen dat vrede niet slechts de afwezigheid van oorlog is, maar het resultaat van structuren die rechtvaardigheid, bestaanszekerheid en participatie mogelijk maken.
Binnen het kader van menswording verschuift daarmee ook de focus van controle naar condities. De vraag is niet hoe wij samenlevingen volledig kunnen beheersen, maar hoe wij omstandigheden kunnen creëren waarin mensen zich kunnen ontwikkelen zonder dat hun leven voortdurend wordt bedreigd door geweld. Dat vraagt om institutioneel ontwerp dat rekening houdt met macht, met asymmetrie, met ecologische grenzen en met de kwetsbaarheid van menselijke ontwikkeling.
Misschien is de meest fundamentele uitdaging wel deze: kunnen wij een wereld denken — en bouwen — waarin de bescherming van onschuld niet afhankelijk is van context, schaal of politieke positie? Een wereld waarin het leven van een individu niet minder waard wordt zodra het onderdeel wordt van een collectief conflict?
Zolang die vraag onbeantwoord blijft, zullen wij blijven leven met een spanning die onze eigen morele fundamenten ondermijnt. En misschien is dat wel de kern van het probleem. Niet alleen dat oorlog bestaat, maar dat wij er manieren voor hebben gevonden om haar te begrijpen zonder haar werkelijk ter discussie te stellen.
De weg naar verandering begint niet met een sluitend antwoord, maar met het weigeren om deze spanning als vanzelfsprekend te accepteren.

Reacties
Een reactie posten